Articles – Dutch

Artikel in Excellent herfst 2011 door Bart Assies


Ingrid Simons maakte furore met schilderijen van interieurs, maar de laatste tijd schildert ze vooral boslandschappen. De Leenderheide en de bossen in Portugal dienen als inspiratie, maar uiteindelijk neemt de verbeelding de overhand…

Wie Ingrid Simons googlet, komt al gauw uit bij de zangeres van de tune van Goede Tijden, Slechte Tijden, geboren in Paramaribo. ‘Onze’ Ingrid Simons (1976) lacht hartelijk om het misverstand. “Nee, ik zing niet, en ik ben ook niet geboren in Paramaribo. Ik schilder en ik kom uit Valkenswaard.” Ze vertelt hoe ze opgroeide in Eindhoven en Valkenswaard, hoe ze studeerde aan de kunstacademie in ’s-Hertogenbosch, en hoe ze uiteindelijk weer neerstreek in Valkenswaard, waar ze haar atelier heeft in Cultuurcentrum Carolus. “Dat was echt toeval, hoor. Maar dit is wel een geweldige plek. Ik heb er echt mazzel mee gehad.”

Grenzen

Haar atelier is op de eerste verdieping. De ruimte staat vol grote doeken, veelal landschappen in contrastrijke kleuren. “Mijn schilderijen gaan over dingen die je niet kunt zien. Ik wil dat de toeschouwer door de beelden geïntrigeerd wordt, dat mensen bij wijze van spreken het schilderij ingezogen worden. Vlak na mijn studie schilderde ik vooral interieurs. Bijvoorbeeld een tafel met een paar voeten erop, maar je zag de persoon van wie die voeten waren niet. Of ik liet ergens een deur open staan. Er was altijd wel iets dat de verbeelding prikkelde, dat er voor zorgde dat er iets gesuggereerd werd wat je niet kon zien.” Simons wijdt uit over begrippen als ‘het moment’ en  ‘tijdloosheid’, en de spanning daartussen, en hoe zich dat verhoudt tot schilderkunst. Ze noemt het ‘de strijd tussen verf en beeld’. “Ik zoek de uitersten op. Hoe ver kun je gaan met het abstraheren van je onderwerpen? Wanneer is een schilderij een voorstelling en wanneer houdt het op een voorstelling te zijn en gaat het bij wijze van spreken alleen maar over verf?” Haar queeste naar de uiterste grenzen van de voorstelling brachten haar uiteindelijk bij het landschap. “Om dat genre was ik altijd met een grote boog heengelopen. Waarom? Ik weet het eigenlijk niet, maar ik was altijd bezig met onderwerpen die dicht bij mij stonden. Landschappen zaten daar eenvoudigweg niet bij. Maar ineens werd ik door het onderwerp gegrepen, het biedt heel veel ruimte voor experimenten. Een schilderij met een duidelijke horizontaal over de hele breedte wordt al snel geïnterpreteerd als een landschap. Je kunt dus heel ver gaan met abstracties, en toch blijven het landschappen.”

Licht

Opvallend zijn de scherpe contrasten in de schilderijen van Simons. Als bij een overbelichte foto schitteren de lichte partijen je tegemoet, terwijl de donkere gedeelten zich in bijna zwarte duisternis hullen. Vaak zijn het bospaden met licht aan het einde. Metaforisch bedoeld? Simons praat er snel overheen: “Ik hou ervan om te zien hoe het licht de bladeren op de overgang van donker naar licht als het ware wegvreet.” En dan vertelt ze over haar reizen naar Portugal. “Ik was in 2009 voor een werkperiode in Frankrijk. Het jaar daarop ben ik doorgereden naar Portgal. Ik had daar een residency in Evoramonte. In Portugal heb je zulk prachtig licht, heel anders dan in Nederland. Ik raakte meteen verliefd op het land, op de felle kleuren, zoals blauw en groen, en de contrasten. Nu ga ik er regelmatig heen. Het is lekker om hier alles achter me te laten – ik stap gewoon in m’n autootje, en na 23 uur rijden ben ik er.” Ze maakte ter plekke schilderijen. “Vaak waren ze nog zeiknat, en dan moest ik ze alweer inladen, want dan ging ik verder.” Simons exposeert regelmatig in Portugal: in 2010 had een solotentoonstelling in Évora met 35 schilderijen en litho’s, en in 2012 heeft ze er weer een grote solopresentatie. “De mensen zijn er fantastisch. De budgetten zijn weliswaar klein, maar ze doen echt alles voor je.” Ten tijde van haar tentoonstelling hadden alle gemeenteambtenaren in Évora een schilderij van haar als bureaublad op hun computer geïnstalleerd.

Tegels

Sinds haar kennismaking met Portugal zijn haar schilderijen onmiskenbaar contrastrijker geworden, ook de schilderijen van de Leenderheide. “Ik ga onderhand heel vrij om met de input. Het gaat om landschappen, en ik word natuurlijk geïnspireerd door wat ik zie, maar het worden steeds meer landschappen van de ziel – geen weergaves van een specifieke plek.” En vervolgens gaat het over experimenten met andere technieken. Litho, zeefdruk, fotografie… “In Portugal zie je overal de azulejos, de blauwe tegels met hun wat crème achtergrond. Hierdoor geïnspireerd heb ik tijdens mijn laatste residency drie grote speciaal voor mij gemaakte, tegels beschilderd in deze techniek. Ze zien er prachtig uit, en ze zullen ook te zien zijn op de komende tentoonstellingen, niet alleen in Portugal, maar ook hier in Nederland en in Duitsland en Frankrijk.”


Artikel uit Dagblad de Limburger, door Michelle Bosma

Oktober 2011


Museum van Bommel van Dam in Venlo bestaat veer­tig jaar. Het museum laat de komende weken zestien kunstenaars live op zaal een dialoog aangaan met het publiek. Deze week afleve­ring vijf: Ingrid Simons.

Bij binnenkomst in haar atelier is het uitkijken geblazen. Ingrid Simons (Eindhoven, 1976) is net terug uit Zuid-Frankrijk en haar kersverse schilderwerk ligt verspreid op de vloer, nog nat van de verf. Van dikke klodders verf.

Ingrid Simons werkt het liefst met zwaar geschut. “Ik zet flink aan met olieverf, en dat heeft wel een paar maanden nodig om te drogen. Als ik de linnen doeken staand neerzet, zakr de verf naar beneden.” Hoewel haar werkplaats in Valkenswaard niet veel ruimte biedt, vertikt ze het om te verkassen. ‘Het is hier vertrouwd; de lichtinval, het uitzicht.”

In haar veilige basis kan ze zich volledig afsluiten; met black metal-muziek aan werkt ze het liefst aan één stuk door. Simons verdiept zich volledig in haar werk. “Mijn werk figureert als een dagboek.”

In de nacht, als alles stil en donker is, werkt zij op haar best. Vroeger liep Simons al graag ’s avonds buiten rond, kijkend naar de volle maan. Haar fascinatie voor zwart en natuur vormt nu de kern van haar werk. Haar schilderijen roepen stilte, verval, surrealisme, verstikking en verlangen op.

Sfeer is voor Simons heel belangrijk. Ze heeft maar een paar punten nodig om dit duidelijk te maken. Met lichtschouwspel, en als basis een bospad dat ze als schets met fotocamera vastlegt. “Mijn foto’s werken als geheugensteuntje.” Daarna laat ze haar fantasie de vrije loop, graaft ze in herinneringen en zoekt ze graag de grenzen op; loslaten is iets wat eng is, maar wel noodzakelijk voor het evenwicht tussen realisme en abstractie. Dat houdt Ingrid Simons al tijdens haar opleiding (1995-1999) aan de Academie voor Kunst en Vormgeving Den Bosch bezig. Met haar afstudeerscriptie ‘De mooiste bloemen groeien aan de rand van de afgrond’ is ze altijd zoekende naar dit evenwicht. Soms voegt ze voorzichtig wat kleur toe, maar dan worden haar schilderijen weer abstract.

Minder kleur is juist meer kleur, volgens Simons, zo ontstaat er een verdieping van de betekenis van har schilderijen; het bospad is volgens Simons belangrijk. Onbewust gekoppeld aan het pad van onderweg; de zoektocht en uitdaging van haar werk.

Soms ontvlucht Simons haar verplichtingenin Nederlanden gaat ze naar het buitenland; Zuid-Frankrijk, maar Portugal trekt haar het meest. “Ik intensiveer daar wat ikin Nederlandschilder. De cultuur, de manier waarop de mensen elkaar benaderen, het rauwe, de natuur. Maar vooral de passie.”

Iets wat bij Simons van haar werk spat.

Ze exposeerde eerder in Museum vanBommel van Dam. Volgende week keert ze er terug en gaat ze live aan de slag. Dat vindt ze toch wel eng: werken met zo veel mensen om haar heen. Maar zo’n kans als deze is volgens Simons uniek. De uitdaging met zichzelf zal de kunstenares altijd aangaan.

Ingrid Simons werkt live in het museum van donderdag 20 tot en met zondag 23 oktober.

Openingswoord door Alex de Vries ter gelegenheid van de presentatie van de uitgave “Shadows Shift”, bij de gelijknamige solo show, Jan van Hoof Galerie, ’s-Hertogenbosch


De schilderijen van Ingrid Simons zijn verschijningen en geen afbeeldingen. Er is niets nageschilderd. Er is iets ervaren wat zich voordoet tussen het oog en het landschap en dat is geschilderd. De verf op het doek drukt niet uit wat de kunstenaar heeft gezien. Het gaat niet over waarneming, maar over wat Ingrid Simons gewaar wordt. Dat is voor haar de gewoonste zaak van de wereld. Er is niets hoogdravends aan. Ze geeft weer wat ze ondergaat. De spanning die het geschilderde beeld oproept heeft te maken met een verwachting die wordt gewekt over iets wat buiten het schilderij ligt. Het gaat aan de verf vooraf, of wordt door de verf veroorzaakt, maar het is niet de verf zelf. In het schilderij van Ingrid Simons kijken we met haar mee naar iets wat er niet is. We hebben er alleen een idee van dat zij zodanig oproept dat we vermoeden dat het overeenkomt met wat zij ons laat zien.

Je kunt je wel voorstellen waar je de oorsprong van de schilderijen van Ingrid Simons moet situeren, maar ze bewegen er vandaan. De plek waar het schilderij zich heeft aangediend, is door de kunstenaar verlaten om een andere weg in te slaan. In feite moet je omkijken om na te gaan wat het schilderij eigenlijk behelst. Je bent al verder, voorbij aan wat is gezien. Het schilderij draait zich om.


Deze schilderijen gaan niet over wat je ziet, maar over wat je ondergaat in onbekende streken. De schilderijen zijn vooral weer en wind. Ze zijn in die zin vanzelfsprekend. Niets om je over te verbazen, maar iets om je op te kleden, als het ware. In ieder schilderij proef je de aanwezigheid van iets wat al uit beeld is verdwenen. Je beseft dat het er net nog was. Je bent net te laat, maar alles staat nog in het teken van wat uit zicht is. Niemand schildert zo precies wat er niet meer is. Deze schilderijen gaan over de schijn van afwezigheid. Je kunt voor jezelf benoemen wat je mist. Wat je ziet is wat je ontgaat.

Wat de schilder niet kan laten
Wie naar de schilderijen van Ingrid Simons kijkt,
Ziet dat hij iets mist wat net uit beeld is verdwenen.
Wat je wel waarneemt is niet zozeer wat het lijkt,
Maar een beleving die meer dan onverhoeds de benen

Heeft genomen. Je wandelt in gedachten een bospad af.
De bomen neigen mee, het licht wordt door ze gevangen.
In de verte loopt het pad voor je weg, en verdwijnt in de draf
Van het paard dat voor je uit galoppeert. Je gaat je gangen.

Van de waarneming na. Wat is hier uit het zicht verdwenen?
Het is niet de ruiter noch het paard waar je blind voor bent,
Omdat je niet kunt geloven dat ze aan je zijn verschenen.
Eigenlijk is het een verschijnsel dat je door en door kent.

Waar je niet aan toe wilt geven. Het is de wetenschap
Dat je in materie niet vast kunt houden wat je onbewust
Verbaast en verontrust. Wat je eens hebt geweten is een stap
In het duister geworden. Je vindt hierin alleen maar rust

Als je je overlevert aan wat de kunstenaar niet kan laten.
Ingrid Simons schildert het onzichtbare in alle staten.


© Alex de Vries, 26 november 2010

Presentatie met Alexandra Roozen en Linda Arts, curator Bert Loerakker

Simons (Eindhoven 1976) schildert in een losse, expressieve stijl. De laatste jaren vormt het landschap haar vertrekpunt. In delen van haar werk zijn de landschappelijke elementen duidelijk te herkennen, even zo vaak echter blijven de brede verfstrepen op zichzelf staan en weerspreken ze elke suggestie van perspectief. Het moment waarop verf een beeld gaat vormen, intrigeert haar. Die overgang van abstractie naar figuratie, en het schemergebied dat daar tussenin ligt, probeert ze in haar werk te vangen. Door de verf de ruimte te geven, hier en daar zelfs vrij over het doek te laten lopen, ontstaan nieuwe beelden en onvermoede oplossingen. Ze schept en herschept het landschap, tot er een nieuwe constellatie ontstaat die slechts met moeite nog aan de werkelijkheid te relateren is.

Simons beperkt zich tot slechts enkele kleuren. Haar schilderijen zijn veelal uitgevoerd in zwart-wit. Hierdoor staan ze bij voorbaat al verder af van de realiteit. Het werk krijgt er bovendien een zakelijke, wat kille uitstraling van. Daar waar kleur gebruikt is, wordt het geheel meteen aangenamer en toegankelijker. Kleur verzacht, haalt het werk dichter naar de belevingswereld. Het zwart geeft een zwaarte en lading aan de werken die ze ten volle benut. De landschappen die ze creëert hebben een sterk romantische waarde. Ze zijn opgebouwd uit naaldbomen, open plekken in het bos, bergkammen en een enkele ruïne. Het zijn nocturnes, stukken die de nacht bezingen, met maanlicht en donkere schaduwpartijen.

De verlatenheid en leegte die uit de werken spreekt, grijpt je aan. Al lijken de landschappen ver van huis gesitueerd, toch zijn ze herkenbaar voor eenieder. Misschien zijn het fantasielandschappen, afspiegelingen van angsten en hersenschimmen. Als kijker kun je er eindeloos in ronddwalen, op zoek naar klaarheid en samenhang.
© Saskia van der Wiel, mei 2010

Door Anke Schaeffers, cultureel attache van de Nederlandse Ambassade te Lissabon

Het is een eer en een genoegen om in deze prachtige entourage – een prachtkerk in een stad van uitzonderlijke schoonheid- de opening te mogen verrichten van mijn landgenote Ingrid Simons.

Ik prijs mezelf gelukkig om de voortreffelijke en reeds jaren bestaande samenwerking tussen de Gemeente van Évora en Stichting Obras, die in perfecte symbiose initiatieven organiseren die de  geest verheffen en de culturele dynamiek tussen Portugal en o.a. Nederland versterken.

Ingrid Simons stond reeds tweemaal genomineerd voor de prestigieuze Nederlandse onderscheiding ‘Koninklijke Prijs voor Vrije Schilderkunst’. Dat is niet verbazingwekkend: haar schilderijen lijken te beschikken over bovennatuurlijke krachten, althans die indruk heb ik: ze kunnen praten en zelfs wenken! En als het niet echt praten is, dan in ieder geval fluisteren: -Kom, kom -, waarbij ze de kijker met een mix van schoonheid en mysterie aantrekken. De kijker kan de verleiding niet weerstaan, verlaat zijn gerieflijk plekje en stapt de wereld van het schilderij binnen; en dat overigens met het grootste gemak, het schilderij wijst hem immers zelf de weg.

Het ongemak komt pas later, zodra hij is aangekomen  op de plek van bestemming: een soort limbus, een ijzige ruimte, unheimlich, tijdloos en bestaande uit dualisme: zwart en wit, licht en donkerte, zon en maan. De kijker is gevangen, geboeid, maar hij is niet alleen. Het bewijs daarvan komt wanneer de kunstenares, plotsklaps, een teken van leven geeft door, net als op de autobaan bij een snelheidsovertreding, de flash van de radar in werking te zetten. De radiografie -van de menselijke conditie – is gemaakt: de kijker is overgeleverd aan zichzelf, én aan de uitdaging om zich over zijn eigen grenzen te beraden.

- De mooiste bloemen groeien aan de rand van de afgrond – is een  uitdrukking die de kunstenares fascineert. En de schilderijen van Ingrid Simons dienen als lokaas om de kijker, op subtiele wijze, naar de grens van de werkelijkheid te roepen:  – Kom, leg lef aan de dag en zoek de grenzen op, het mysterie van de menselijke schepping ligt daar verborgen!-

Beste aanwezigen, laat u niet ontmoedigen: er is genade, uiteindelijk! Het werk van de kunstenares  heeft zich verder ontwikkeld en toont meer zelfverzekerdheid en lef. De kunstenares neemt ons steviger bij de hand en toont ons, zonder hoogtevrees, dat de ogenschijnlijke contrasten –zwart en wit, licht en donker, zon en maan- in werkelijkheid één geheel vormen: elke helft bevat in zichzelf zwart en wit, licht en donkerte, leven en dood, God en Demon. Zwart en – zoals Newton bewees – wit  dragen alle kleuren van de regenboog in zich: de mooiste bloemen bevinden zich daar, inderdaad! En zo moge blijken dat het werk van Ingrid niet draait om contrasten, maar om relaties, relaties tussen de kunstenaars, haar werk, de kijker en zijn omgeving. Het is een hommage aan de ‘wonderful world’ waarin we leven.

Het mysterieuze landschap van de Alentejo vormt ongetwijfeld een onuitputtelijke bron van inspiratie voor kunstenaars en kunstliefhebbers. Ik spreek de wens uit dat de Gemeente van Évora en de Stichting Obras hun middelen, gul  en bekwaam als altijd, beschikbaar blijven stellen zodat de kunsten immer kunnen blijven bloeien en verrijken!

Tot slot: de hindoeïstische godin Kali belichaamt het idee dat creatie en destructie onderling intiem verbonden zijn, dat de een van de ander afhankelijk is om te kunnen evolueren, enkel zo wordt de cyclus van het leven rond. Trouw aan deze hindoe-gedachte, die om de natuurlijke cirkel der dingen rond te maken óók bepaalt dat een speech niet bestaat zonder een toast, nodig ik u uit het glas te heffen op de première van Ingrid Simons in Portugal. Allen van harte gefeliciteerd!     

© Anke Schaeffers, maart 2010

Door Ko van Dun

Patronen in het zand, wolkenluchten en rotswanden, wie heeft er niet ooit in verwondering naar gekeken en zich laten meevoeren op de oneindige stroom van beelden en gedachten? De verbeelding geprikkeld door spontaan opwellende associaties, nog zonder richting of vorm, die het bewustzijn binnenkomen als verwaaide geluiden tijdens een zomers middagdutje. De fascinatie voor de ongevormde schoonheid van de natuur, als tegenhanger van de aan regels gebonden, geconstrueerde esthetica van de academie, stond in de achttiende eeuw aan de basis van een nieuw denken over kunst. De vrije verbeelding stond gelijk aan de vrije mens die zijn eigen natuur volgde. ‘Nocturnus I’ is een recent werk van Ingrid Simons. Imaginaire landschappen als deze maken naast interieur- en figuurstudies een belangrijk deel van haar werk uit. Boomgroepen, bospaden, luchten, water, weerspiegelingen, het is vaak moeilijk uit maken waar je naar kijkt, ook hier. Onder en boven de horizon verschijnen twee aparte werelden, wat hemel is en wat aarde, is niet duidelijk. Gaandweg worden we ons er steeds meer van bewust dat we voor alles naar verf kijken, naar geschilderde structuren die hun eigen bestaan leiden, maar die toch, afgaande op de grote aandacht waarmee elke penseelstreek is neergezet, heel precies geconstrueerd zijn. Alsof het niet anders kon. Waargenomen als een echt landschap, maar dan een landschap van de geest dat uitnodigt tot eindeloos rondzwerven.

© Copyright 2009: Ko van Dun.

Door Rob Perrée

De landschappen, of moet ik zeggen bospaden van Ingrid Simons (1976) zijn in feite suggesties van landschappen. Dat komt allereerst omdat ze minimaal van kleur zijn. In feite zijn de basiskleuren bijna altijd wit en zwart. Simons lijkt te focussen op invallend licht, terwijl de bron daarvan buiten beeld blijft. Verder zijn haar schilderijen vaak grof geschilderd. Die sobere en tegelijkertijd overdadige behandeling, dat paradoxale, geeft ze iets benauwends. Als er dan nog een figuur op rondloopt waarvan je alleen maar de (gebogen) achterkant ziet, sluipt er zelfs een element van suspense in.

2009

Door Jan Doms

De diagonaal is een lijn die twee niet opeenvolgende hoekpunten met elkaar verbindt. Geboren en getogen in Tilburg, de vroegere textielstad, doet de diagonaal mij denken aan wollen gekeperd weefsel met schuin lopende fijne strepen. In de schilderijen van Ingrid Simons lijkt het alsof er zich onderhuids een onzichtbaar overdwars gevlochten raster bevindt op basis waarvan de navigatie plaats vindt van ruimte, licht en beweging. Voor wie het wil zien, biedt dat houvast om de figuren en objecten te fixeren en betekenis te geven. Afhankelijk van het tijdstip waarop, de hoek waaronder en de eigen gesteldheid waarmee naar de schilderijen gekeken wordt.

De werken bezitten een grote mate van intimiteit. Dat geeft het gevoel van bevoorrecht te zijn om een blik te mogen werpen in haar persoonlijke universum dat bevroren is in de verfstreken. Daarin bevinden zich soms figuren met afgewend gelaat of mensen die in zichzelf gekeerd zijn. In beslag genomen door een wereld die we niet kennen, maar die onmiskenbaar verband houdt met de afgebeelde ruimte waarin het betreffende leven weerspiegeld wordt. Leven uit een verloren tijd. Het humane is eveneens sterk verbonden met de objecten die in de werken voorkomen. Een animistische benadering van stoel, kast, bed, gordijn, radiator, boom, auto en menigmaal van de architectonische en landschappelijke ruimte als geheel. Zelfs als de menselijke figuur niet lijfelijk in de voorstelling aanwezig is, bekruipt je als kijker het gevoel dat je niet de enige bent die verbonden is met het moment dat zich ontvouwt. In de behandeling van licht en lijnvoering verraadt zich de lithograaf die schuil gaat achter de schilder. Bij licht hoort schaduw. Maar het verband tussen licht en de schaduw die een artefact werpt in de gemoduleerde ruimte, neemt bij Ingrid voortdurend een andere wending. De wetten van de natuur leggen het af tegen de krachten van de verbeelding.

Enkele jaren geleden voer ik met mijn schildervriend over de Maas. We vertrokken in de vroege ochtend bij helder zonlicht en zagen de littekens van bedrijvigheid het landschap domineren. Tegen het vallen van de avond nam de schemer bezit van het watergebied en op een wonderlijke manier verdwenen de pregnante beschadigingen van de oevers in het niets. Het schemerlicht omarmde elke ongerechtigheid totdat alleen het paradijselijke onze ogen koesterde. Het licht kwam van overal en nergens. Schaduwen lichtten op en de kleur van de hemel verbond zich met het zachte sputteren van de motor. De wijze waarop het licht in de schilderijen van Ingrid aanwezig wordt gesteld – darstellen, zoals dat in de Duitse taal zo mooi wordt weergegeven – is in mijn ogen bijzonder. Ze vormt daarmee in combinatie met de figuratie op geheel eigen wijze een eenheid van tijd, plaats en handeling. Dramatisch, maar niet noodzakelijkerwijze een drama; eerder een poëtisch samenbrengen van meer en minder ingrijpende gebeurtenissen die voor de kijker in het ongewisse blijven.

Als beeldhouwer ben ik altijd als eerste geïnteresseerd in de wijze waarop een schilder de ruimte definieert. Zowel de omvattende ruimte als de ruimte die door de voorstellende delen wordt ingenomen. De derde dimensie wordt pas ervaren als men zich beweegt en steeds opnieuw een standpunt inneemt ten opzichte van hetgeen zich in de ruimte bevindt. Deze is daardoor onlosmakelijk verbonden met de tijd die beweging in beslag neemt. De schilderijen van Ingrid zijn erop gemaakt om er bij wijze van spreken daadwerkelijk binnen te kunnen gaan. Je zou de figuur willen aanraken, het venster sluiten. Je oor op het kussen te ruste leggen om deelgenoot te worden van het tafereel. Op de bank plaatsnemen en het verglijdende zonlicht op je wangen voelen branden. Het ruisen van de bladeren horen. Een auto die in beweging komt. Zo maar de wind je haren laten beroeren of zelf een schaduw werpen terwijl je de straat oversteekt en die langzaam zien oplossen in het geschilderde licht.

Als je te rade gaat bij een oude zeeman dan zal hij verhalen over de adembenemende kleuren van de mooiste zee op aarde, de Oostzee. De oneindige schakeringen van het grijs, de okers en het mauve, die zichtbaar worden in het kielzog van de dalende zon. De voortdurende veranderingen in het palet van de hemel, zo waarneembaar als het bewegen van de kleine wijzer op het uurwerk. Bij nacht speelt het noorderlicht op de horizon. De voorbijglijdende scherenkust zweeft op zijn schaduw. Als je dat allemaal gezien hebt, weet je wat kleur en de metafysische werking daarvan in de verlatenheid van het oneindige water teweeg kan brengen. En, soms is het er doodstil. Dat is het evenbeeld van verstilling. Misschien wel het opvallendste kenmerk van het werk van Ingrid Simons, verstilling overdwars. Juist voor de storm van het gemoed of direct nadat de levensadem weer tot rust gekomen is.

2005 (”Crossroads”, Ingrid Simons)

Door Alex de Vries

Ingrid Simons maakt schilderijen die je wel denkt te kennen. Je kijkt ernaar en denkt te weten wat je ziet. Verkeerd gedacht. Meteen daarna besef je dat je het mis hebt. In veel van haar werk zie je iets op de rug, waarmee ze aantoont wat ze achter de rug heeft, waar dat schilderij vandaan komt en wat haar als kunstenaar voor ogen staat. Eigenlijk is haar figuratieve werk nauwelijks herkenbaar. Wel is alles wat ze schildert een portret, vooral ook als het niet om mensen gaat, maar om hun omhulsel en hun omgeving, om de atmosfeer die hen omringt, om de gedachten en gevoelens die rondom hen resoneren. Dat portretteert ze in ware gedaante; niet met precisie gefijnschilderd naar hun uiterlijk, maar accuraat getroffen in hun onbestemde verschijning. Ingrid Simons maakt het je als kijker makkelijk, en daar heb je het dan vrijwel meteen moeilijk mee. Wat ze eigenlijk schildert, kun je niet zeggen. Je kunt het uiterlijk van haar werk beschrijven, zelfs met zuiver stilistische analyses over de manier waarop ze verf aanbrengt, hoe ze een compositie opbouwt, zonder dat je daarmee ook maar iets over de betekenis van haar schilderijen verheldert.

De schilderijen van Ingrid Simons hebben een intiem karakter. Ze hebben ook iets vreeswekkend, het besef dat het leven een bedreiging kan zijn en de opgave je daar tegen teweer te stellen. Door de persoonlijke vertrouwelijkheid van het werk, is angst altijd iets wat ze overstijgt. Ze vindt schilderend hoop in de desolate mens. Zelden zie je mensen zo op zichzelf aangewezen als in de schilderijen van Ingrid Simons. De vanzelfsprekendheid daarvan is enerverend voor je gemoed als je naar haar werk kijkt. Ze laat geen enkel misverstand bestaan, hoe raadselachtig haar schilderijen ook zijn. Het is een kwestie van onder ogen zien dat je er niet aan kunt ontkomen wie je bent en dat altijd in de tijdelijke relatie tot de omgeving, mensen en situaties, waar je je bevindt.

Ingrid Simons heeft oog voor omstandigheden, die iedereen wel kent of vrijwel willoos ondergaat, die zij dan haar wil als schilder oplegt. Niets in haar werk is in scène gezet en desondanks kijk je naar beelden die als filmstills je gedachten dwingen tot heroverweging van wat je dacht te weten. De kleuren die je ziet, laten je denken in zwart-wit. Ze voegt al schilderend net zoveel toe als het voorgenomen beeld achter zich heeft gelaten. Van een voorgeschiedenis is het schilderij daardoor ontdaan, maar net als je denkt dat er in het schilderij niets meer gebeurt, slaat het verleden toe. Je moet nadenken over wat je eerder niet hebt gezien en over wat je nog niet ziet. Je moet vanuit het schilderij kijken, denken en ervaren.

De schilderijen zijn contemplatief en ingetogen, maar niet kaal of sober. De verf doet het werk. Over ieder schilderij is duidelijk nagedacht, maar Ingrid Simons maakt geen ideeënkunst. Ze schildert altijd de mens en concentreert zich op de psychologie van de mens. Haar schilderijen zijn een vorm van gedragsstudies, niet door te observeren maar door te elimineren. Het is in dat opzicht genadeloos werk. Een schilderij van een stoel in het Bois de Boulogne laat door die werkwijze zien wie daar zit, al is die persoon niet geschilderd. Je maakt zelf uit wat je ziet. Meer nog: wie je ziet. Je kunt zelf beslissen of je in die stoel gaat zitten. Zo beslis je ook over het kijken naar de schilderijen van Ingrid Simons, of je ze ziet zitten of niet. Kijk goed.

30 augustus 2005 (”Crossroads”, Ingrid Simons)

Eindhovens Dagblad, maandag 15 mei 2006

Door Verily Klaassen

“That Figures” heet de tentoonstelling bij Peninsula met nieuw grafisch werk van Ingrid Simons en Judith Rosema. Letterlijk vertaald betekent de titel “dat ligt voor de hand”,

maar we moeten dat wat ruimer interpreteren en dan blijkt vooral het woord figuratie van belang.

Simons maakte prachtige steendrukken van stadse taferelen en Rosema van zeer persoonlijke droombeelden.

“Je komt het niet vaak tegen”, vertelt galeriehouder Pieter Alewijns, “maar deze jonge kunstenaars hebben alle twee een duidelijke voorliefde voor de lithografie. Zij werkten in het Grafisch Atelier in Den Bosch, in de werkplaats van de Rijksakademie in Amsterdam en bij Grafisch Atelier Daglicht in Eindhoven.”

Het resultaat van al dat werk hangt aan de muur op de Bilderdijklaan en vormt zo samengebracht een mooie expositie. Dat komt ook omdat Simons en Rosema vooral op een bescheiden formaat prenten maakten, wat tot goed kijken dwingt.

Tekening

Met name de litho’s van Rosema vragen om onverdeelde aandacht. Daaraan is goed te zien dat haar basis bij de tekening ligt. Met een voorzichtig zoekende lijn schetst zij licht absurde beelden – overigens niet gespeend van enige melancholie.

Steeds speelt daar een vrouw de hoofdrol in, die dan weer eenzaam, dan weer koesterend of troost zoekend door het leven gaat. Het lijken wel kleine getekende gedichtjes, waar nog een hele wereld onder schuil gaat. Vrolijk worden we er echter niet van.

Simons is vooral bekend als een “echte schilder”.

Zij maakt pasteus geschilderde doeken van meestal alledaagse situaties ; een kamer, een man op bed, een straathoek ; alles in paarsige en gelige tinten.

En nu dus een serie steendrukken. Ook daarin zien we haar voorliefde voor de eigenschappen van materiaal terug. Anders dan bij Rosema, waar de lijn de boventoon voert, vloeien bij Simons de tinten soepel in elkaar over. Technisch mooi uitgevoerde litho’s zijn het resultaat.

“That Figures”, litho’s van Judith Rosema en Ingrid Simons, Galerie Peninsula, Eindhoven

www.galeries.nl, woensdag 15 februari 2006

Door Alex de Vries

Ingrid Simons ziet voor het schilderij altijd zoveel mogelijkheden dat ze wel gedwongen is zich te beperken.

Ze wil niet domweg alle kanten op.

In veel van haar schilderen is een figuur zichtbaar die in zichzelf is gekeerd, vaak ook op de rug gezien, verdiept in iets onzichtbaars.

Of dat iets voorbijgaands is of iets van alle tijden, is voor haar geen vraag : het voorbijgaande is van alle tijden.

Het schilderij ‘Crossroads’ laat niet zo’n figuur zien: ze maakt van de kijker die figuur.

Ze werpt ons terug op onszelf in een tijdloos zwart-wit, een fotografische herinnering die ze in materieel aangebrachte verf een totaal ander karakter geeft dan we kennen.

Er is op dit schilderij geen kruispunt in zicht, hoezo ‘Crossroads’? Parallelle banen spiegelen nat de onscherpe contouren van de wankele architectuur die er bovenuit steekt en leiden naar een nauwelijks waarneembaar bochtje in dit parcours van schilderend denken.

Daar zouden we op een kruispunt terecht kunnen komen, maar dan moeten we wel die straat in en doorlopen, zonder te weten waar we uitkomen.

Ingrid Simons laat onontkoombaar zien wat achter ons ligt en dat we ons wel om kunnen draaien, maar dat die beweging ons perspectief niet zal veranderen.

Wat voor ons ligt, is net zo goed wat achter ons ligt. Op dat kruispunt staan we en we moeten verder.

Eindhovens Dagblad, vrijdag 4 november 2005

Door Rob Schoonen

Oprecht blij is ze met de prijs.

Niet eens zozeer vanwege de 2.500 euro, maar meer nog omdat er erkenning uit blijkt.

“Het is gewoon hardstikke tof dat mensen je werk volgen en het ook nog eens waarderen”, aldus Ingrid Simons, die gisterenavond de Kunstprijs van het Academisch Genootschap in ontvangst mocht nemen.

De Eindhovense Simons (1976) heeft volgens de jury “het vermogen om al schilderend beelden op te roepen die boeiend zijn om naar te kijken, terwijl ze niet oppervlakkig wil behagen (…). Haar doeken laten ruimte voor een veelheid aan gedachtenstromen en interpretaties.”

De kunstenares kan zich daar prima in vinden : “Ik probeer in mijn werk altijd meerdere lagen aan te brengen ; het gaat niet alleen om dat landschap, het gaat niet alleen om dat interieur ; er moet meer aan de hand zijn.

Je moet willen proeven wat er met die figuren aan de hand is ; waarom ze juist op dat moment op die plek zijn.

Dat maakt schilderen zo boeiend.”

Tegenstellingen

Simons werkt graag pasteus.

Je kunt zien dat ze met zichtbaar genoegen de stroperige olieverf op de drager penseelt.

Maar de laatste tijd is er meer en meer ruimte voor schrale oppervlakken.

De in Valkenswaard werkende kunstenares heeft nog altijd een voorliefde voor okers en gelen (“daar kun je lekker broeierig mee werken”), maar deinst er de laatste tijd niet voor terug om zich te beperken tot zwart-wit : “Daar kan ik nu eenmaal heel goed dat ireëele in kwijt.”

Publicatie juryrapport Ingrid Simons

Door Mw. Drs. E.A. Schreuder

Ingrid Simons schildert met olieverf op doek.

Zij toont ons haar wereld in verf.

Soms zijn het gewone dingen, die zij omzet in verf, zoals bloemen, een schemerlamp of een kledingstuk.

Dan weer maakt ze landschappen naar aanleiding van foto’s. Haar compositie bouwt ze op als een fotograaf ; ze zoemt in op het ze snijdt de voorstelling af en maakt gebruik van fotografische trucs als overbelichting of een scherp licht-donker contrast.

Het is echter vooral de manier waarop ze schildert, die de aandacht van de toeschouwer vasthoudt.

Haar kleurgebruik is zeer subtiel in een beperkt palet, soms geheel in zwart-wit.

In krachtige penseelstreken, vaak in de nat-in-nat techniek, weet Ingrid Simons hier veel nuance in te brengen.

De voorwerpen worden regelmatig in een pasteuze, schilderachtige toets tegen een gladdere achtergrond geschilderd.

Het al schilderend oproepen van de illusie van diepte gaat haar goed af.

In haar landschappen schildert ze de mens vrij geabstraheerd en op de rug gezien.

Net als in de Romantische traditie kijkt de toeschouwer over de schouder mee de diepte in van de vaak overweldigende natuur.

De menselijke figuur is niet nadrukkelijk aanwezig, meestal opgelost in de materie.

Door het weglaten van een herkenbare gelaatsuitdrukking is de figuur een opstapje voor de toeschouwer, om zelf in het doek te verdwijnen.

Ze heeft het vermogen om al schilderend beelden op te roepen, die boeiend zij om naar te kijken, terwijl ze niet oppervlakkig wil behagen.

De jury is vooral geraakt door de kracht waarmee haar beelden emoties oproepen, zonder dat de kunstenaar hier zelf een sturende richting aan geeft.

Haar doeken laten ruimte voor een veelheid aan gedachtenstromen en interpretaties.

De jury :

Mw. Drs. E.A. Schreuder, kunsthistoricus

Drs. A.B. Hofstee, voormalig hoofd afdeling Kunst en Cultuur, gemeente Eindhoven

Dhr. D.J. van Hoof, Jan van Hoof galerie, ’s-Hertogenbosch

Mw. C.M.J.Th. Vinke-Noordman, kunstenaar

Ir. J. de Wilde, architect

Schilderijen van Ingrid Simons bij Galerie ‘t Beddekoetsje

Eindhovens Dagblad, zaterdag 26 maart 2005

Door Irma van Bommel

Lumen is de titel van een boeiende tentoonstelling van Ingrid Simons, nu te zien bij Galerie ‘t Beddekoetsje in Helmond.

Een serie schilderijen onder dezelfde titel gaf de naam aan de expositie: grote doeken met daarop een op het eerste gezicht gewone voorstelling van een spijkerbroek, hangend over een ijzeren bed.

Toch heeft Lumen – licht – meer te maken met de opstelling van een schilderij van een kathedraal.

Daarachter is namelijk een lamp geplaatst die de vensters als het ware verlicht. Hoewel dit werk ook elders te zien is geweest, is de presentatie hier in een van de oude bedsteden die het gerestaureerde pand rijk is, uniek.

Dat is nog eens optimaal gebruik maken van de mogelijkheden van een expositieruimte.

Wat Ingrid Simons (1976) ook schildert, ze maakt er altijd iets theatraals van.

Met haar kleine werken van bloemen en appels drukt ze een melancholische sfeer van verval uit.

Haar grote doeken zijn veelal luguber van sfeer.

Eigenlijk schildert ze hele gewone dingen naar aanleiding van foto’s: kledingstukken, leren laarzen, wasgoed hangend aan een rek, een zittende jongeman. Maar door de manier waarop ze schildert weet ze, heel subtiel, dramatiek in haar werk te brengen.

Door een pasteuze verfbehandeling op een verder schrale achtergrond geeft ze haar onderwerpen iets ‘vleselijks’.

De leren laarzen roepen associaties op met hompen vlees.

De opgehangen spijkerbroeken lijken stijf te staan van het vuil, maar zijn ook weer zo geschilderd dat het net is of de benen er nog in zitten.

Bij het uitbeelden van personen gaat ze nog een stapje verder, die kan ze zo geabstraheerd schilderen dat ze lijken op te lossen in hun omgeving.

Maar ook kan ze met haar verf een zekere staat van ontbinding suggereren.

De pasteuze stijl van Simons doet denken aan de schilderijen van Marc Mulders, die eveneens zijn onderwerpen een ‘vleselijke’ uitstraling geeft.

Haar werk roept ook herinneringen op aan de schilderijen van Chaim Soutine (1893-1943) en Francis Bacon (1909-1992).

Maar waar Soutine en Bacon een schreeuw van binnenuit verbeeldden, lijkt het werk van Simons meer ‘Spielerei’: het dramatiseren van de werkelijkheid.

We zullen nog veel van haar horen.

Internationaal NBKS project 2004-2005

Door Rob Smolders

“Een schilderij maakt meer indruk naarmate we ons beter in de voorstelling kunnen inleven.

Wie heeft er nooit zo op de grond gezeten, schoenen uit, armen om de knieën geslagen?

Nergens bij horen, wachten, dromen. Een stoel maakt zitten tot werken, een bank nodigt uit tot gezelligheid.

Geen behoefte aan,laat mij maar even. Ik luister naar muziek, ik zie je straks wel.

Die afstand voelt de schilder heel goed aan. Die houding, de blikrichting naar rechtsonder.

In zijn afkeer van contact is dit lichaam veelzeggend.Daar hebben we geen gezichtsuitdrukking voor nodig.

Door de gekozen positie tussen de meubelstukken wordt de zwijgzame figuur zelf een voorwerp in een interieur.

Iets meer geprononseerd dan het kleed waarop hij zit, het bankje, het raam boven zijn maar iedere seconde van volgehouden zwijgen maakt hem meer een met zijn omgeving.

Heeft hij niet de kleur van het licht in de kamer aangenomen?

Het is misschien vreemd om te denken, maar hier zit iemand die zijn substantie verliest en geleidelijk een wordt met het lijnenspel

van het karpet. Hij wordt een arabesk, een stukje versiering, en de ruimte om hem heen veranderd mee.

De diagonale lijnen suggereerde oorspronkelijk een ruimte, een cocon waarin de zwijgende figuur zich kon hullen.

Maar de diepte verdwijnt.

De lichte verfdruipers verraden het smelten of oplossen van die ongrijpbare afstand tussen het doek en de wand die daar ooit stond.

De Fransman Edouard Vuillard was een meester in deze schilderwijze. Hij kon een slapend meisje een laten worden met het bed

waarin zij lag. Ingrid Simons volgt hem een heel eind, maar ze wil nog geen afscheid nemen van haar model.

Toch zal ze moeten kiezen, die jongen kan niet tegelijkertijd bij haar zijn en opgaan in zijn eigen wereld.

Dan hangt hij tussen wal en schip, dan rolt hij van het doek af.”

Noordbrabants Museum, solo

3 augustus – 15 september 2002

Door Maureen Trappeniers

“Ingrid Simons geeft met olieverf op doek een illusie van ruimte, begrensde binnenruimten en minder begrensde buitenruimten.

Die ruimten zijn duidelijk afgekaderd en perspectivisch scherp bepaald.

Het gebruik van gedempte kleuren en een nadrukkelijk licht/donker contrast zorgt hiervoor.

Er wordt vervolgens sterk ingezoomd op een object dat de aandacht in die ruimte opeist.

Dat inzoomen is letterlijk, want met de camera als hulpmiddel worden mogelijke uitsneden bepaald.

De objecten, een stoel, een bank, een kledingstuk of een menselijke gedaante, worden neergezet met veel verf en forse toetsen

die het licht vangen. In visueel opzicht verliezen dit soort plekken in het schilderij bijna hun betekenis, omdat de voorstelling

in de materie dreigt op te lossen.

Bijna, want hoewel Ingrid Simons ertoe neigt om de verf voor zichzelf te laten spreken, wil zij de figuratie juist niet uit het oog verliezen.

Die zorgt namelijk door zijn onbestemde karakter voor de betekenis van het werk.

Bij de lege stoel en de achtergelaten kleding is de mens afwezig; en als hij wel aanwezig is en zelf het onderwerp vormt, vertoont hij geen actie en blijft hij anoniem.

Zo willen deze schilderijen portretten zijn, maar dan zonder persoon of zonder gezicht.

Ingrid Simons (Eindhoven 1976) volgde de Akademie voor Kunst en Vormgeving in Den Bosch.

Zij woont en werkt in Valkenswaard.”

“Ingrid Simons studeerde in 1999 af aan de Akademie voor Kunst en Vormgeving te Den Bosch, richting autonoom tekenen,

schilderen, grafiek. De titel van haar afstudeerscriptie luidde : “De mooiste bloemen bloeien aan de rand van de afgrond : een verhandeling over het zoeken naar evenwicht tussen “realisme” en “abstractie” door het onderzoeken van de strijd tussen afbeelding

en verf.”

De scriptie dwong bij de examinatoren bewondering af om meer dan een reden.

Genoemd werden onder andere de vasthoudendheid waarmee zij haar onderwerp wilde doorgronden en de liefde voor het schilderen die eruit af te lezen viel.

De jury herkent in de schilderijen van Ingrid Simons eenzelfde vastberadenheid en liefde voor de schilderkunst.

Door een haast obsessieve benadering van haar onderwerp bereikt zij al schilderend een nieuwe werkelijkheid : een fantastische werkelijkheid. De beelden waarin alledaagse voorwerpen van haarzelf, of herkenbare ruimtes zichtbaar zijn, krijgen door deze werkwijze en het bijzondere materiaalgebruik een vervreemdend effect.

Ingrid Simons komt binnen de traditie van de schilderkunst buitengewoon knap tot nieuwe uitspraken omtrent betekenis, compositie, kleurgebruik en materiaalverwerking.

Haar onderwerpkeuze is sober en beperkt – een stuk wasgoed aan de lijn, schoenen op een tapijt – maar is in de uitwerking breed van rijk aan sfeer en op onderdelen onverwachts verrassend.

Met klassieke schildersmiddelen en zonder te willen behagen heeft zij een eigen herkenbaar idiom ontwikkeld.

Haar beelden zijn puur, zonder trucs, risicovol en met volwassen hand geschilderd ; ze zijn eigenzinnig en persoonlijk,

type ruwe bolster – blanke pit.

De beelden hebben ook in een ander opzicht een dubbele gelaagdheid achter de verfmassa gaat een zekere spanning schuil, een bepaald vermoeden over gebeurtenissen die in de ruimte plaatsvonden, of personen die voelbaar in de ruimte aanwezig zijn.

Ingrid Simons leeft van, voor en tussen de verf en levert zo het bewijs dat de schilderkunst nog altijd bloeit.

De jury hoopt dan ook van harte dat zij de opdracht in het kader van de Salonprijs aanneemt en wacht met warme belangstelling op het resultaat dat ongetwijfeld echt uit de verf zal komen.

Dames en heren graag feliciteer ik, mede namens de andere juryleden, Ingrid Simons van harte met de NBKS Salonprijs 2001″.

Breda, 2 september 2001.

De jury :

Michael Berkhemer, Amsterdam

Koen Delaere, Tilburg

Jos Wilbrink, Breda

Jos Willems, ‘s-Hertogenbosch

Ruimte, verf en gesprekken in een gastatelier

Door Angelique Spaninks

Ingrid Simons rondt ‘Schildersessies’ af met expositie in Cacaofabriek

Hard gewerkt heeft ze. Zes weken lang, soms van ’s morgens negen tot ’s avonds elf.

Schilderen en praten, praten en schilderen. Maar daar ging het de Bossche kunstenares Ingrid Simons dan ook om tijdens haar werkperiode in het gastatelier van de Helmondse Cacaofabriek.

Om de gebruikelijke eenzaamheid van het atelier te doorbreken nodigde zij zeven totaal verschillende collega-kunstenaars uit om met haar samen te werken in evenzovele “schildersessies”.

In de praktijk betekende dit iedere week een ander contact, een andere werkwijze, een ander gesprek.

Alleen de centrale thema’s kwamen steeds terug, zoals de keuze voor en stand van het schilderen anno nu.

En natuurlijk de overeenkomsten maar ook verschillen tussen Simons’ werk en dat van haar gasten.

Zo blijkt het werk van Simons harmonieus te combineren met dat van Helmonder Vincent Welten. “Sacraal licht” doopten zij hun uitwisseling, waarbij het interieur van de plaatselijke Lambertuskerk als bron van inspiratie diende.

Simons maakte een serie kleine doeken, die op afstand bijna fotografisch aandoen, maar van dichtbij in de haar eigen pasteuze stijl geschilderd blijken. Welten maakte enkele eveneens dik opgezette, kleurrijke doeken. Daarbij roepen de langgerekte vormen in blauw en geel weliswaar neo-gotische preekgestoelten en ramen in herinnering, ze zijn echter niet als zodanig herkenbaar.

Minder direct is het verband tussen de werken die Simons en de net als zij vorig jaar afgestudeerde Esther Tielemans (Opm. Tielemans studeerde in 1998 af, Simons in 1999) samen maakte. Bij gebrek aan overeenkomsten gingen zij de “confrontatie” aan – “ons plan was geen plan, alleen een stapeltje verzamelde knipsels die ons allebei iets zeiden”.

Toch ontstond er een intrigerend vierluik van op het eerste gezicht totaal onsamenhangende doeken (een met kersentakken, twee met wat onbestemde aquariumachtige omgevingen en en met een belaarsd been tussen de gloeilampen).

Bij nadere beschouwing blijken ze echter gevoelsmatig met elkaar verbonden als door een onzichtbare navelstreng.

Helaas is dat veel minder het geval met de werken die Simons samen met René Korten, Teresa Rahder en Rob Schouten maakte.

Haar letterlijke uitzicht door een van de ramen in het gastatelier bijvoorbeeld blijft te ver af staan van de twee bescheiden verabstraheerde vensters van Schouten. Het is de vraag of dat anders was geweest als zij daadwerkelijk samen in het atelier gewerkt hadden.

Toch leidt ook het delen van de ruimte niet altijd tot goed resultaat.

Zo doen Simons’ diepdonkere, bijna negentiende-eeuwse stillevens met appels Rahders felrode, moderne appels van bloedeloosheid verschrompelen.

Desondanks mag duidelijk zijn dat je je als kijker aan de resultaten van de schildersessies evenzeer kunt laven als aan de gastvrijheid waarmee Simons de afgelopen weken iedere vrijdag de deur tot haar gastatelier opzette.

Voeg daarbij nog de spontane poëtische reacties die de verschillende werken via internet los wisten te maken en haar wens ook nog een boek te maken, lijkt gerechtvaardigd.

Maar het belangrijkste is wel dat Simons met deze opzet een manier heeft gevonden om jonge en oudere kunstenaars vruchtbaar te laten samenwerken zonder daarbij het publiek buiten te sluiten.

En dat past precies bij wat De Cacaofabriek de komende jaren wil.